Wat is je uitgangspunt?

De gebruiker

Er zijn vier mogelijke uitgangspunten voor het maken van een visualisatie. Het meest voor de hand liggend is dat je een bepaalde groep mensen wilt bereiken met een specifieke boodschap. In dat geval staat de gebruiker centraal en is het belangrijk om je af te vragen wat de gebruiker precies wil, in welke omstandigheden hij of zij mogelijk met de visualisatie in aanraking komt, welke kennis de gebruiker van het onderwerp heeft en hoe betrokken zij is.

Data

Maar het kan ook zijn dat je een hoeveelheid gegevens hebt die je op een of andere manier toegankelijk wilt maken door ze te visualiseren. In dat geval zul je de gegevens zelf moeten bevragen. Welke ontwikkeling laten ze zien? Wat zijn opvallende uitschieters? Wat voor een andere patronen vallen er te ontdekken?

Platform

Je uitgangspunt kan ook zijn dat je je op een bepaald platform wilt richten, zoals Facebook of je wilt iets op een affiche laten zien, of op een tentoonstelling. In dat geval is het platform richtinggevend en kijk je welke vormen zich daarvoor lenen en welke gegevens daarbij passen.

Vorm

Tot slot kun je ook de vorm centraal stellen. Je vindt het bijvoorbeeld belangrijk om te experimenteren met animaties en hecht in eerste instantie minder aan de reactie van de gebruiker. In dat geval is de vorm zelf uitgangspunt voor het nadenken over je visualisatie.

Wat wil je vertellen?

Wat je uitgangspunt ook is, je visualisatie zal uiteindelijk een begrijpelijk en aantrekkelijk verhaal moeten opleveren. Maar wat bedoelen we met ‘verhaal’ als het om visualisaties gaat? Het makkelijkst is om ervan uit te gaan dat je visualisatie uiteindelijk moet kunnen zien als het antwoord op een vraag. Het is dan ook goed om van te voren die vraag te formuleren en niet alleen te kijken naar de informatie je wilt overdragen, of de vorm die je wilt hanteren.

Het soort vragen dat je met informatievisualisaties kunt beantwoorden

Hoeveelheid

Visualisaties, en met name grafieken, lenen zich goed om vragen te beantwoorden over hoeveelheden. Hoe vaak komt iets voor? Wat zijn de gemaakte kosten? Wie heeft het meest of minst van iets? Waar ligt het gemiddelde? Hoe groot zijn de verschillen? Afgeleide vragen kunnen dan gaan over de veranderingen die zich hebben voorgedaan. Hoe zijn hoeveelheden in de tijd veranderd?

Plaats

Naast vragen over hoeveelheden, heb je vragen over plaats. Waar heeft iets plaatsgevonden in welke mate dat is gebeurd, wanneer, en wie waren daarbij betrokken? Dat soort vragen kun je heel goed in een kaart verwerken. Als je vraag gaat over wat er op bepaalde plekken in een gebouw gebeurt, dan kun je misschien beter met een schema of een modeltekening werken of een aanklikbaar plaatje gebruiken.

Tijd

De focus van je vraag kan ook op de tijd liggen. Wanneer is iets gebeurd? Hoe hebben bepaalde ontwikkeling zich in de tijd voorgedaan? Welke trend doet zich voor? Antwoorden op dat soort vragen kun je bijvoorbeeld in een tijdlijn verwerken.

Proces

Als niet het tijdsverloop voorop staat maar de vraag hoe dingen op elkaar inwerken, dan kan een schema de manier zijn om dat in beeld te brengen.

Structuur

Het kan ook zijn dat je een al of niet hiërarchische structuur in kaart wilt brengen. Ook dan kan een schema goed werken.

Wat wil je bereiken?

Vaak wordt gezegd dat je eerst moet vaststellen wat het doel is dat je met je visualisatie wilt bereiken voordat je ook maar begint te denken over vorm en inhoud. Dat is niet onverstandig, maar in de praktijk werkt het vaak anders. Zeker als je uitgangspunt is dat je met een bepaalde vorm wilt werken, of als je onderzoekt wat de gegevens die je hebt te vertellen hebben. Maar uiteindelijk is het wel handig om te weten wat je met het antwoord op je vraag wilt bereiken, omdat bepaalde vormen van visualisatie zich beter lenen voor het ene dan voor het andere doel. Of visualisaties ook echt realiseren wat opdrachtgevers en makers zich ervan voorstellen, wordt overigens zelden onderzocht.

Doelen kun je op verschillende manieren formuleren. Voor het maken van informatievisualisaties is de onderstaande indeling bruikbaar.

Doel

In de binnenste cirkel staan de termen die je kunt gebruiken om je doel te formuleren. Je wilt uiteindelijk dat mensen iets weten, begrijpen, kunnen, voelen, vinden of doen.

Middel

Om die doelen te bereiken kun je bepaalde ‘informatiestrategieën’ gebruiken. Als je wilt dat mensen iets te weten komen op grond van jouw visualisatie dan moet je ‘informeren’, dat wil zeggen antwoord geven op de vragen: hoeveel, waar, wanneer, of wie?

Als je wilt dat gebruikers iets begrijpen, dan moet je iets uitleggen. Dat wil zeggen dat je verbanden duidelijk moet maken en dus moet uitleggen wat eerder en later komt, wat oorzaken en gevolgen zijn, en wat de context is waar je rekening mee moet houden.

Een echt verhaal vertellen, met een hoofdpersoon en een plot, doe je vooral als je gebruikers bij een onderwerp wilt betrekken. Je moet er dan voor zorgen dat gebruikers zich op een of andere manier kunnen identificeren met de hoofdpersoon van je verhaal.

Wil je gebruikers beïnvloeden in hun mening of gedrag, dan zul je ze moeten overtuigen door met argumenten en/of door in te spelen op hun gevoel.

Vorm

Iedere manier van visueel communiceren, vraagt om een eigen vorm. De vormen zoals ze hier staan aangegeven ‘bericht’, ‘analyse’, ‘verhaal’ en ‘betoog’ zijn de termen die worden gebruikt voor tekstuele genres. Deze genre-indeling is ook goed bruikbaar voor het vormgeven van visuele communicatie. Bij het bericht gaat het erom dat je antwoord geeft op de vragen naar hoeveelheid, plaats, tijd en hoedanigheid. De volgorde waarin je dat doet is van ondergeschikt belang. Bij een ‘analyse’ gaat het vooral om het inzichtelijk maken van relaties. Bij het verhaal staan personage en plot centraal en bij het betoog de stelling (dat waar je mensen van wilt overtuigen) en de emotionele en/of rationele argumenten.

De tekstblokjes rond de buitenste cirkel geven aan welke beeldvormen je eventueel kunt gebruiken.

Menu